Conferenties

Eén van de activiteiten hier op ‘t scholeke is het schrijven van papers. Die kunnen in lengte variëren tussen vier en twintig pagina’s, maar meestal geldt: hoe korter, hoe beter. Als ze korter zijn, worden ze nauwkeuriger nagelezen en krijg je zeer nuttige feedback. Soit.

Een tijdje geleden kwam ik zo met een paper op de proppen waar ik nogal content van was: Preference compliance of judgements. Een prof uit de Government Department had me verteld over een conferentie in Istanbul deze zomer: The Eighth International Meeting of the Society for Social Choice and Welfare, waarvoor je papers kon indienen. “Waarom niet,” dacht ik spontaan, en ik haalde de deadline met enkele uren.

Zopas kwam de verlossende e-mail:

I am delighted to inform you that the Program Committee of the Eighth International Meeting of the Society for Social Choice and Welfare has accepted your submission. As we received a very high number of submissions, finalizing the program will take a while. However, your paper will be scheduled in an appropriate session for oral presentation.

Het ziet er dus naar uit dat ik naar Turkije trek, als ik er geld voor vind. De organisatie kan misschien wat bijspringen, en ik ga zeker op ‘t scholeke wat leuren. ‘t Is PR, nietwaar.

En ook Maartje heeft een paper aanvaard gekregen door de Supporting Deaf People online conference, al moet ze hem nog wel schrijven. Het zal gaan over Deaf professionals and the Deaf community, haar nieuw stokpaardje. Hoera!

Zo ziet u maar, het is hier niet enkel goed weer in Engeland, maar er wordt ook nog goed gewerkt.

Wetenschappers en waarzeggers

Waarom zal iets in de toekomst nog hetzelfde zijn als in het verleden? Zullen metalen ook morgen nog elektriciteit geleiden? Omdat het altijd al zo geweest is? Of om het met een klassieker te zeggen: zijn alle raven zwart? Is dat zo? En waarom dan wel? Waarop baseren we onze voorspellingen? Op eerdere ervaringen? Is dat wel gerechtvaardigd?

Nee, zegt Hume. Hij heeft een duidelijk ‘probleem met inductie’. Niets garandeert ons dat iets dat vandaag geldt, morgen ook nog geldt. Zelfs het ‘succes van de wetenschap’ biedt hier (althans filosofisch) geen antwoord op:

Veronderstel dat een wetenschapper wordt uitgedaagd door een waarzegger. De wetenschapper weerlegt het kijken in een kristallen bol als een goede manier om de toekomst te voorspellen, omdat het in het verleden niet echt betrouwbaar was. De wetenschappelijke methode echter heeft in het algemeen altijd goed gewerkt.

De waarzegger kan de wetenschapper er echter terecht van beschuldigen om de wetenschappelijke methode te gebruiken om de wetenschappelijke methode te rechtvaardigen. Die methode is er namelijk op gebaseerd om regelmatigheden uit het verleden te projecteren op de toekomst. Dus als je wil zeggen dat de wetenschappelijke methode ook in de toekomst succesvol zal zijn omdat die in het verleden hoogst succesvol was, dan maak je een gigantische cirkelredenering.

“Als je jouw methode gaat gebruiken om jouw methode te beoordelen,” merkt de waarzegger op, “dan heb ik alle recht om mijn methode te gebruiken om de mijne te beoordelen.” Hij kijkt even in z’n kristallen bal en kondigt dan aan dat het waarzeggen (hoewel niet echt succesvol in het verleden) binnenkort een heel betrouwbare manier van voorspellen wordt. “Daarenboven,” voegt de waarzegger toe, “aangezien je jouw methode hebt gebruikt om de mijne af te kraken, zal ik nu hetzelfde doen: ik zie in mijn kristallen bol dat de wetenschappelijke methode slechte tijden tegemoet gaat als betrouwbare methode van voorspellingen.”

—Uit Salmon et al., ”Introduction to the Philosophy of Science”, Hacket Publishing Company, 1992, sec. 2.6.

Maar kom, we zijn nog maar net voorbij week vier van het academiejaar. Er zijn nog zestien lesweken te gaan om de wetenschappelijke methode te redden — alle hens aan dek.

Mensenrechten als een ‘constitutie’ van de mensheid

In de lessen en seminaries van beleidsfilosofie hebben we ons de laatste tijd veel bezig gehouden met mensenrechten. Hoe universeel zijn die? Kunnen of moeten er lokale verschillen mogelijk zijn? Is het beter te gaan voor een minimale basis die overal afdwingbaar moet zijn? Of is het beter voorstander te zijn van een breder pakket mensenrechten die misschien niet realistisch in elk land kunnen gewaarborgd worden, maar die voor hen als leidraad kunnen dienen? Zijn dat dan nog mensenrechten?

Wat bedoelen we trouwens met mensenrechten? Tientallen definities en visies zijn de laatste weken de revue gepasseerd. En dan is er nog het grote verschil van wat we theoretisch/filosofisch onder mensenrechten verstaan en hoe deze in de praktijk/wetteksten werden en worden uitgewerkt — bijvoorbeeld in de revolutionaire en gedurfde ‘Universele Verklaring van de Rechten van de Mens’ uit 1948 of in het ‘Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens’ uit 1950.

Hoewel dat niet in mijn pakket zit, ga ik nog steeds wekelijks naar de seminaries over ‘Grondwettelijke theorie’, oftewel ‘Constitutional theory’ in het departement rechten. Daar houden we ons momenteel bezig met de vraag wat een grondwet is, en waarvoor ze moet en kan dienen. Het Engelse of Franse constitution beschrijft eigenlijk beter wat er aan de hand is: een constitutie geeft een soort beschrijving van de samenstelling van de staat. Wat zijn de belangrijkste instituten, hoe werken die, wat zijn de voornaamste rechten van de inwoners van die staat? Ook hier zijn er vele verschillende visies en manieren om de zaken aan te pakken. Beschouw bijvoorbeeld de Verenigde Staten waar de Constitution een enorme invloed heeft op hoe de politiek bedreven wordt, of het Verenigd Koninkrijk dat geen geschreven Constitution heeft.

In beide lessen, Grondwettelijke theorie en beleidsfilosofie over mensenrechten, komen dezelfde vragen naar voor, dezelfde problemen, dezelfde ideeën en concepten. Dus wat gaat den deze doen? Hij gaat op zoek naar de parallelen. Kunnen we mensenrechten als een soort van wereldwijde constitutie zien? Of kunnen we die in zo’n kader inpassen? Is dat wenselijk? Niet dat we dat ‘constitutie’ moeten noemen. Nu op zoek naar mensen die zich hier al eerder mee bezig hebben gehouden, want ik zal wel niet de eerste zijn die hieraan denkt, maar de denkoefening lijkt boeiend — en uw commentaar ook, uiteraard.

Wat is er mis met marteling?

Morgen geven Pete, Carl en ik een six-minute presentation over een zelfgekozen paper dat te maken heeft met filosofie van beleid. We zullen het hebben over What’s Wrong with Torture? van David Sussman in Philosophy & Public Affairs. De kans is klein dat u erbij zal zijn, maar hier toch al een sneak preview:

Intuïtie en context

Een definitie van marteling:

  • is moeilijk om te geven;
  • lijkt niet gemakkelijk om het eens over te worden (ieder heeft z’n eigen mening, als je er al één kan vormen — zie eerste punt);
  • is raar om te willen achterhalen (wat kan er later mee gedaan worden?).

Bezwaren vanuit filosofische hoek:

Utilitaristische bezwaren

  • Voor de naïve utilitarist is marteling over het algemeen inefficiënt (de schade staat niet in verhouding tot de eventuele resultaten van de marteling);
  • Voor de genuanceerde utilitarist is marteling niet alleen inefficiënt, maar hij/zij wijst ook op de contraproductieve psychologische en politieke schade aan personen, instituten en de gehele maatschappij;
  • Maar! Met deze focus op de mogelijke schadelijke effecten van marteling, is er moeilijk een onderscheid te maken met dezelfde schade die wordt aangericht in een oorlogssituatie (bijvoorbeeld voortdurende bombardementen om het moreel van de vijand naar beneden te halen) — maar dat beschouwen we in het algemeen niet als marteling.

Kantiaanse bezwaren

  • Marteling is volslagen respectloos voor de autonomie en het rationeel zelfbewustzijn van een persoon.
  • Maar! Wat is in dit geval het onderscheid met doorgedreven chantage — zodat ik alles zou doen wat er gevraagd wordt? Ook dit beschouwen we niet als marteling.

Toch voelen we aan dat de utilitarist en de kantiaan sámen wel een eind verder geraken.

Wat is marteling?

  • Marteling veroorzaakt gewoonlijk enorme pijnen;
  • Marteling gebeurt nooit toevallig;
  • Marteling vereist een bijzondere relatie tussen de martelaar en het slachtoffer: het slachtoffer is er zich bewust van dat hij volledig is overgeleverd aan zijn martelaar;
  • Marteling ligt ergens tussen dwang (waarbij je nog rationeel kan nadenken) en brainwashen (waarbij de pijn te groot is om nog te kunnen redeneren).

Wat is er mis met marteling?

  • Je eigen wil wordt tegen jezelf en je eigen belangen gekeerd;
  • “Pijn is de stem van je lichaam,” en bij marteling wordt ondraaglijke pijn de stem van je martelaar. Je lichaam wordt je eigen vijand;
  • It hurts.

Maar in het paper van Sussman krijgen we geen antwoord op:

  • Zijn lijfstraffen ook marteling? (Bijvoorbeeld een voorafbepaalde straf van exact tien zweepslagen — doorbijten en je bent er vanaf.)
  • Wanneer kan marteling gerechtvaardigd zijn? (Terroristische dreiging?)
  • Is pijn een noodzakelijke component van marteling? (Fysiek, mentaal,…)

Ok, dat is een korte samenvatting van een paper van 33 pagina’s lang. Op elk van deze punten wordt minstens twee vellen lang ingegaan, met voorbeelden en motivatie. We zijn het zeker niet met alles eens, en dat zullen we morgen ook vertellen.

Was dit tekstje voor u een marteling? Of heeft u er extreem van genoten? (De auteur heeft het uitgebreid over vergelijkingen zoals: “Torture thus turns out to be something like sexual seduction, accomplished through fear and pain rather than through erotic desire.”)

U kan hieronder úw mening kwijt.

Update: de presentaties van de andere studenten zijn uitgelopen. Onze presentatie is dus een week verschoven. Uw aanvullingen zijn dus welkom en zelfs bruikbaar tot 24 oktober!